Je leest:

Aantal vrouwelijke hoogleraren neemt langzaam toe

Aantal vrouwelijke hoogleraren neemt langzaam toe

Auteur: | 4 oktober 2009

De vrouwen in toga komen er aan. Het aantal vrouwelijke (top)wetenschappers in Nederland is namelijk de afgelopen jaren langzaam maar zeker gegroeid, zo blijkt uit de deze week gepresenteerde Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2009. Goed nieuws dus, ware het niet dat Nederland in vergelijking met andere Europese landen nog altijd achterloopt.

In 2003 was 9 procent van de Nederlandse hoogleraren vrouw. Eind vorig jaar is dat percentage gestegen tot 12 procent, zo blijkt uit de meest recente Monitor Vrouwelijke Hoogleraren. Ook iets lager op de universitaire ladder is het aantal vrouwen gegroeid: bij de universitaire hoofddocenten is zijn we van 14 naar 18 procent gegaan en bij de universitaire docenten van 24 naar 31 procent. Goed nieuws dus voor alle ambitieuze vrouwelijke promovendi die staan te popelen om door te stromen naar een hogere positie.

Echte carrièretijgers kunnen echter maar beter emigreren naar Letland of Turkije, waar zo’n 25 % van de hoogleraren vrouw is. Nederland is wat vrouwelijke professoren betreft namelijk nog altijd een van de slechtste leerlingen van de klas. Met haar 12 procent komt ons land nog niet in de buurt van de afspraken die ze in 2000 met andere Europese landen heeft gemaakt. Volgens het Lissabon Akkoord zou in 2010 minstens een kwart van onze wetenschappelijke top uit vrouwen moeten bestaan. Dat gaat Nederland dus niet halen. Zoals het er nu naar uitziet, komt Nederland pas in 2030 in de buurt van dat streefcijfer.

Onze universiteiten worden vooral bevolkt door vrouwelijke studentes (52%). Uit nieuw onderzoek van de Radboud Universiteit blijkt dat studentes het over het algemeen beter doen dan hun mannelijke studiegenoten. Bij elke stap hoger op de academische hiërarchie neemt het aantal vrouwen echter snel af.

Ze willen niet

Waarom bungelt Nederland onderaan de lijstjes met percentages vrouwelijke professoren? Een van de redenen die het vaakst genoemd wordt, is dat Nederlandse vrouwen gewoonweg niet willen. Zij zouden tevreden zijn met een deeltijdbaan, vaak gecombineerd met de zorg voor kinderen. Er is onderzoek dat deze stelling ondersteunt. Zo concludeerde arbeidspsycholoog Boelens dat Nederlandse vrouwen minder zouden gaan werken als dat financieel haalbaar was. In Nederland is werken in deeltijd voor vrouwen dan ook de norm. Driekwart van de werkende vrouwen heeft een parttimebaan; vaak zijn dat ook nog eens kleine banen van zo’n 25 uur per week. Daarmee is Nederland, in vergelijking met andere Europese landen, kampioen deeltijdwerk.

En daar wringt de schoen: de meeste vrouwen werken in deeltijd, maar van topwetenschappers verwachten we dat ze fulltime werken. Het tekort aan vrouwelijke topwetenschappers zou verklaard kunnen worden door het tekort aan vrouwen die bereid zijn om 40 uur per week – of meer – te werken. Dit is het standpunt van prof. dr. Barbara Baarsma, econome in Amsterdam. “Uit de Emancipatiemonitor 2008 blijkt dat er tussen voltijds werkende Nederlandse mannen en vrouwen nauwelijks verschillen zijn als het gaat om het aandeel in leidinggevende functies,” schrijft zij in het NRC Handelsblad. “De Nederlandse top is met andere woorden een prima afspiegeling van de deelname in voltijdsbanen.”

matt.hintsa

De ideale moeder werkt 20 uur

Dat er te weinig fulltime werkende vrouwen zijn lijkt een logische verklaring voor het tekort aan vrouwen aan de top. Het probleem is echter dat deze verklaring nog geen licht werpt op de vraag waarom Nederlandse vrouwen niet meer willen werken. Zouden Nederlandse vrouwen een aangeboren liefde hebben voor de 25-urige werkweek, een deeltijds-gen dat vrouwen in Zweden, Zwitserland, Spanje en Letland toevallig missen? Hoogst onwaarschijnlijk. Het zijn eerder maatschappelijke normen en waarden die bepalen hoe veel uren vrouwen in Nederland (willen) werken.

Volgens Christien Brinkgreve, hoogleraar sociologie aan de Universiteit Utrecht, heeft dit alles te maken met het moederschapsideaal dat er in Nederland heerst. De meeste Nederlanders vinden nog altijd dat kinderen niet vijf dagen per week op de crèche horen te zitten. Dit blijkt ook uit cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau uit 2008. Een meerderheid van de Nederlanders vindt dat kinderen het beste door hun eigen ouders kunnen worden verzorgd. Bovendien vindt een derde van de vrouwen en ruim de helft van de mannen dat de vrouw het meest geschikt is om voor de kleintjes te zorgen. Brinkgreve stelt dan ook dat vrouwen dubbel belast worden: de overheid dwingt vrouwen de arbeidsmarkt op, terwijl vrouwen volgens de heersende moraal ook het grootste gedeelte van de zorg voor de kinderen op zich moeten nemen. Dat vrouwen vervolgens voor een tussenweg kiezen – een halve baan – is dan niet zo raar.

Weinig vrouwelijke bèta-profs

Het aantal vrouwelijke hoogleraren op de technische faculteiten blijft in 2008 relatief laag: slechts 4,8 procent. Bij de faculteiten Taal en Cultuur is dat bijvoorbeeld 18,4 procent. Hoe zit dat? Zijn vrouwenhersenen echt minder geschikt voor het oplossen van exacte vraagstukken? Waarschijnlijk niet. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat vrouwen evenveel bèta-talent hebben als mannen. Zij beginnen echter niet aan een carrière in de bètawetenschappen vanwege hun eigen onbewuste vooroordelen, vooroordelen van docenten en selectiecommissies en van de samenleving.

Vooroordelen van selectiecommissies

Er zijn echter ook onderzoekers die zeggen dat het gebrek aan vrouwelijke topwetenschappers niet ligt aan moederschapidealen, maar aan hardnekkige vooroordelen over vrouwen. Dr. Marieke van den Brink is zo’n wetenschapper. De bedrijfswetenschapper promoveerde in april op een onderzoek naar de benoemingspraktijken van (vrouwelijke) hoogleraren in Nederland. Volgens haar moeten we de invloed van moederschap op de carrière van vrouwen niet overdrijven. Van den Brink: “Uit een onderzoek bij de Universiteit van Tilburg blijkt: er bestaat nauwelijks verschil tussen de uren die academische vaders en moeders werken. Toch is het beeld anders. Vrouwelijke wetenschappers die in deeltijd werken gaan eerder door voor minder ambitieus. En dus worden ze minder gevraagd voor posities.”

En, zo blijkt uit Van den Brinks onderzoek, hoogleraren worden gevraagd. Bij twee op de drie benoemingen worden kandidaten gescout en uitgenodigd om te solliciteren. “Scouts zijn overwegend mannen in hoge posities die hun overwegend mannelijke netwerken inzetten om nieuw talent te werven. Zij bepalen daarmee in een vroeg stadium wie wel of niet in aanmerking komt. En dan is het gunstig, blijkt uit mijn resultaten, als de kandidaat lijkt op de leden van de commissie. Mannen hebben eerder het vertrouwen in de mannelijke kandidaat. Die heeft vaak hetzelfde carrièrepad doorlopen en in dezelfde netwerken gezeten. Vrouwelijke kandidaten worden toch gezien als minder voorspelbaar,” aldus Van den Brink op de website van de Radboud Universiteit.

Volgens Van den Brink zijn het dus vooral de onbewuste vooroordelen en voorkeuren van de scouts en de leden van de sollicitatiecommissie die ervoor zorgen dat er weinig vrouwen aan de wetenschappelijke top staan. Het probleem is niet zo zeer dat vrouwelijke academici geen ambities zouden hebben en liever op de kinderen passen, zo lijkt Van den Brinks onderzoek te zeggen. Het probleem is dat de mannen die de banen verdelen, dat – stiekem – denken.

Lees meer:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 04 oktober 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.