Je leest:

350 jaar Huygenslens

350 jaar Huygenslens

Op 25 maart 2005 is het precies 350 jaar geleden dat de Nederlandse wetenschapper Christiaan Huygens (1629-1695) met zijn zelfgemaakte telescoop de maan Titan bij de planeet Saturnus ontdekte.

Kort daarvoor had Christiaan Huygens, samen met zijn oudere broer Constantijn (1628-1697), zijn eerste lens eigenhandig geslepen en zijn eerste kijker voltooid. Een van de eerste objecten die hij hiermee bekeek was de geheimzinnige planeet Saturnus. Deze was toen de verst bekende planeet van ons zonnestelsel (de planeten Uranus, Neptunus en Pluto werden pas in 1781, 1846 en 1930 ontdekt) en sinds de uitvinding van de sterrenkijker in 1608 hadden vele sterrenkundigen zich het hoofd gebroken over de mysterieuze aanhangsels die soms aan weerzijden van de planeet te zien waren.

De lens waarmee Huygens Titan ontdekte bestaat nog steeds en dook in 1867 op in de collectie van oude natuurkundige instrumenten van de universiteit van Utrecht. Het bevindt zich nu in het Universiteitsmuseum waar het gekoesterd wordt als een van de topstukken van de collectie. De platbolle lens is 57 millimeter in doorsnee en heeft een brandpuntsafstand van 336.7 centimeter. De grootste dikte van de lens is slechts 3.4 millimeter. De buis en het oculair (ooglens) van de kijker waarmee Christiaan Huygens Titan ontdekte is helaas niet bewaard gebleven.

Op de rand van de lens staan de volgende teksten “X [pedem] 3 FEBR. MDCLV” en “Admovere oculis distantia sidera nostris”. De eerste tekst geeft de datum waarop de lens werd voltooid (3 februari 1655) en de brandpuntsafstand (10 voet). De tweede tekst is een Latijnse versregel uit een kalendergedicht van de Romeinse dichter Ovidius en vormt het begin van een anagram ADMOVERE OCULIS DISTANTIA SIDERA NOSTRIS VVVVVVVCCCRRHNBQX die Christiaan Huygens in de zomer van 1655 per brief naar enkele bevriende geleerden stuurde. De beeldrechten van de foto berusten bij het Universiteitsmuseum Utrecht maar de foto mag voor niet-commerciële doeleinden gebruikt worden. Klik op de afbeelding voor een grotere versie.

Op de rand van de lens staan de volgende teksten “X [pedem] 3 FEBR. MDCLV” en “Admovere oculis distantia sidera nostris”. De eerste tekst geeft de datum waarop de lens werd voltooid (3 februari 1655) en de brandpuntsafstand (10 voet). De tweede tekst is een Latijnse versregel uit een kalendergedicht van de Romeinse dichter Ovidius en vormt het begin van een anagram ADMOVERE OCULIS DISTANTIA SIDERA NOSTRIS VVVVVVVCCCRRHNBQX die Christiaan Huygens in de zomer van 1655 per brief naar enkele bevriende geleerden stuurde.

Huygens claimde hiermee zijn ontdekking maar hield de oplossing nog geheim totdat hij zekerheid had dat hij het bij het rechte eind had. De juiste oplossing van het anagram (die Huygens later bekend maakte) was “Saturno luna sua circunducitur diebus sexdecim horis quatuor”, hetgeen vertaald kan worden als “Een maan draait rond Saturnus in 16 dagen en 4 uren” (uit latere waarnemingen bleek dat de ware omlooptijd van Titan iets minder dan 16 dagen was).

Christiaan Huygens maakte zijn ontdekking van de maan van Saturnus pas wereldkundig via een pamflet die op 5 maart 1656 in Den Haag verscheen. Gedurende de maanden na zijn ontdekking had Christiaan Huygens ook de vreemde aanhangsels bij de planeet nauwlettend gevolgd. Huygens kwam tot de conclusie dat dit een gesloten vaste ring rond de planeet moest zijn en gaf een vooraankondiging van zijn theorie door middel van een anagram aan het einde van zijn pamflet. De oplossing van zijn anagram maakte hij pas bekend in 1659, toen hij zijn ring theorie van Saturnus uitvoerig beschreef in zijn werk Systema Saturnium.

Huygens noemde de door hem ontdekte maan aanvankelijk simpelweg de “maan van Saturnus” maar toen later meerdere nieuwe manen werden ontdekt, verwees hij er vaak naar als “mijn maan”. De nu gebruikte naam Titan werd pas in 1847 voorgesteld door de Engelse sterrenkundige John Frederick William Herschel.

Samen met zijn broer Constantijn sleep Christiaan later nog tientallen andere lenzen waarvan de grootste een doorsnee had van 23 centimeter en een brandpuntsafstand van 65 meter. De meeste van deze lenzen zijn nu nog te bewonderen in de collectie van Museum Boerhaave (Leiden).

Auteurs

Rob H. van Gent is medewerker van het Instituut voor de Geschiedenis en Grondslagen van de Wiskunde en de Natuurwetenschappen van de Universiteit Utrecht. Tiemen Cocquyt is medewerker van het Universiteitsmuseum Utrecht.

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Utrecht (UU).
© Universiteit Utrecht (UU), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 21 maart 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE