Je leest:

125 jaar na Dik Trom

125 jaar na Dik Trom

Auteur: | 4 juli 2007

Jongeren gebruiken een heel eigen taal, waar ouderen vaak niet zo veel van snappen. Maar zo is het niet altijd geweest: jongerentaal is een relatief nieuw verschijnsel. Van moppig tot doeko: de geschiedenis van een belangrijke katalysator van taalverandering.

In een van de boeken van C.Joh. Kieviet zegt de zestienjarige Dik Trom over een oude man die al weken ziek op bed ligt: “Arme ziel, dan zal het er wel weer niet breed zitten, denk ik?” Ik hoor het mijn zoon van zestien zo niet zeggen – niet eens omdat het taalgebruik ouderwets aandoet, maar vooral omdat het zo volwassen klinkt. Maar wat wil je: op het moment dat Dik dit zegt, in 1891, is hij al een paar jaar aan het werk, en dus eigenlijk al geen jongere meer. In zijn tijd bestonden die ook simpelweg niet: je had kinderen en volwassenen, geen jongeren. Er bestond dus ook geen jongerentaal.

Wim Daniëls: “Echt doorbreken deed de jongerentaal eigenlijk pas vlak na de hippietijd.” Bron:Bart Versteeg

Knal

Een van de eersten die in Nederland jongerentaal gebruikten, is het romanpersonage Joop ter Heul, uit de gelijknamige reeks van Cissy van Marxveldt. In het eerste deel, De H.B.S.-tijd van Joop ter Heul uit 1919, valt te lezen: “Kees zegt, dat Pa bang is, dat ik een fuifnummer zal worden” – wat me door dat “fuifnummer” eigenlijk nu nog heel modern in de oren klinkt. Verder wordt er gesproken van “zielig”, “zalig”, “heusig”, “moppig” en “leutig”.

Zielig en zalig waren in die tijd heel populaire woorden. Charivarius, de gevreesde taalcriticus, heeft er in 1913 al een gedicht over geschreven, ‘Zielige zaligheid’, dat zó begint:

Een bakvischje is coquet en lief, royaal en nooit inhalig. Ze houdt alleen een beetje veel van ‘zielig’ en van ‘zalig’.

En hoe zit het dan met Joop ter Heuls mannelijke tijdgenoot Pietje Bell, de hoofdpersoon uit de beroemde boekenserie van Chris van Abcoude? Anders dan je van de ondeugende en eigengereide Pietje misschien zou verwachten, gebruikt hij geen typische jongerentaal. Hij praat alleen een beetje nonchalant; hij slikt bijvoorbeeld klanken in: “Vin j’m goed?”

Moppig, leutig, fuifnummer: romanfiguur Joop ter Heul is een van de eerste jongerentaalsprekers

Waar je wel veel jongerentaal vindt, is in het werk van de schrijver Doe Hans. Zijn prachtige boek De knalclub van 3A, uit 1925, gaat over een fietsclub waarvan eigenlijk alleen jongens lid mogen worden. Maar omdat de jongens er geen vierde persoon bij kunnen vinden, vragen ze Elly Verhagen, bijgenaamd ‘Nachtegaaltje’. Elly is zeer verheugd dat ze gevraagd wordt: “Knal zeg. Een knal-plan. Van wie is dat knaldenkbeeld om mij d’r bij te vragen? Zeker van die knal-Max?” – en zo wordt er in het boek om de regel verder ‘geknald’. Knal betekent hetzelfde als tegenwoordig cool. Het is een jongerenwoord dat het heel lang heeft uitgehouden; ook nu nog hebben mensen het soms over een ‘knalfeest’.

In De knalclub van 3A wordt dat knal alleen gebruikt door Nachtegaaltje. Dat is merkwaardig, want het woord wordt in een schoolboek uit 1929 door de twee Vlaamse auteurs onder de ‘jongenswoorden’ geschaard. Ze geven in hun boek ook een overzichtje van meisjeswoorden, onder meer denderend, honneponnig en – nog steeds – zielig en zalig.

Mieters

Na de Tweede Wereldoorlog verschijnt het eerste echte puberboek: The Catcher in the Rye van J.D. Salinger (1951), dat ook nu nog erg modern aandoet. In het Nederlands heeft het heel veel verschillende vertalingen gehad, onder meer onder de titel Puber. De eerste zinnen daaruit:

Als je dan werkelijk zo benieuwd bent, dan wil je natuurlijk in de eerste plaats weten waar ik geboren ben, wat ik zo al in mijn jeugd uitgespookt heb, waar mijn ouders vandaan kwamen en wat ze uitvoerden voor ze met mij opgescheept werden, en ga zo maar door; maar om je de waarheid te zeggen voel ik daar niks voor. Ten eerste omdat het me geen sikkepit interesseert en ten tweede omdat mijn ouwelui een rolberoerte zouden krijgen als ik iets persoonlijks over ze vertelde.

Zo’n losse toon was tot op dat moment nog nooit vertoond in de literatuur. We hebben iets dergelijks ook in de poëzie gezien, bij de Vijftigers, die opeens de vaste vorm die er voordien was, loslieten. Het is het soort vrijheid dat je nodig hebt om tot jongerentaal te komen.

Jongerentaal uit de jaren vijftig is ook te vinden in Bij nader inzien, het prachtige boek van J.J. Voskuil, verschenen in 1963 en handelend over de periode 1946-1953. Daarin komen de woorden mieters en verdomd werkelijk heel erg veel voor: “Jezus, jongens, jullie moeten toch wel verdomd onder de indruk zijn geweest.” “Jij kunt zo verdomd overtuigd doen.” " ‘Mieters,’ zei Maarten. Hij keek nog eens naar de tuin. ‘Het uitzicht is verdomd mieters.’" Het zijn vooral jongens die die woorden gebruiken, maar er komt op een gegeven moment ook een meisje aan het woord dat ‘mieters’ zegt, maar let op wat er dan achter komt: “‘Verdomd mieters,’ zei ze binnensmonds. Ze kreeg een kleur.”

“Intervjoetjes”

In de jaren zestig komen de nozems en de provo’s. Het was voor het eerst dat groepen jongeren tegenover elkaar kwamen te staan. Bij de nozems had je de pleiners en de dijkers; de pleiners hingen rond op het Amsterdamse Leidseplein, de dijkers op de Nieuwendijk. De dijkers droegen puntschoenen, hun brommer was een Zündapp, een Kreidler of een DKW, ze hielden van rock-‘n-roll en hadden vetkuiven. Pleiners luisterden naar jazz, hadden bordeelsluipers aan en reden op een Puch of een Tomos. Ook in andere steden waren er zulke tegenstellingen tussen ’gewone’ nozems en ‘artistiekelingen’. Later kwamen daar de provo’s bij; hun naam was een verkorting van provoceren. De provo’s waren meestal iets ouder en meer politiek gericht.

Weekblad Hitweek (soms ook Witheek geheten): bakermat van jaren-zestigjongerentaal.

Alle jongerengroepen waren duidelijk gebiologeerd door de nieuwe muziek van die tijd, of het nu rock-‘nroll was of jazz, of de in opkomst zijnde beat. Er verschenen ook muziektijdschriften, zoals vanaf 1965 Hitweek. De grote man van dat blad was Willem de Ridder, die ook op talig gebied van groot belang was. Hij introduceerde een soort fonetische spelling die typisch werd voor de subcultuur van de jaren zestig (“intervjoetjes”, “relaatsies”, “prodjoesen”), maakte woordgrappen van het type “spiegedelies” (= ’psychedelisch’) en bedacht nieuwe woorden als twieners, platelaar(‘platenhandelaar’) en nederbiet.

Eind jaren zestig is dan de tijd van de hippies. Deze langharige, kleurig geklede, vredelievende en veelal hasj rokende jongeren hadden een heel eigen jargon, dat doorspekt was met woorden als ( gewoon) te gek, weet je wel, ludiek, birdie en freaken.

Doorbraak

Maar echt doorbreken deed de jongerentaal eigenlijk pas vlak na de hippietijd. Dat had te maken met de verlenging van de leerplicht. Vanaf 1969 moest je niet meer zes jaar naar school (tot en met de basisschooltijd), maar negen jaar. Pas toen werd de middelbare school dus echt verplicht, en dat betekende een enorme impuls voor de jongerentaal, want die kan zich alleen maar ontwikkelen als jongeren elke dag met elkaar optrekken.

Maar er zijn meer gebeurtenissen die doorslaggevend zijn geweest voor de doorbraak van jongerentaal. Op de eerste plaats is er een explosie gekomen van muzieksoorten: soul, disco, en daarna rap en house. Iedereen sloot zich bij een stroming aan. En bij die stromingen hoort niet alleen een muziekstijl, maar ook bepaalde kleding en een eigen taal. Ook groeide de populariteit van sporten die vooral door jongeren heel erg gewaardeerd worden, zoals beachvolleybal, surfen en snowboarden.

In de jaren zeventig en tachtig kwam er bovendien een toestroom van mensen uit andere landen. Hun kinderen hebben ervoor gezorgd dat we nu de zogenoemde straattaal hebben, met uitdrukkingen als doekoe (‘geld’), no spang(‘maak je niet druk’) en sma (‘meisje’). Het Surinaams vormt hiervan de basis. Overigens is die straattaal vooral geconcentreerd in de grote steden, waar relatief veel allochtone jongeren wonen. Ik kom zelf uit de Peel. Als je daar een lijstje met straattaal aan jongeren voorlegt, dan weten ze deels echt niet waar je het over hebt.

SMS

Tot slot is er de technische ontwikkeling. Allereerst de mobiele telefoon, waarmee je niet alleen kunt telefoneren, maar ook sms’en. Omdat zo’n tekstbericht maximaal 160 tekens kan bevatten, moet je het kort houden, vandaar dat even wordt geschreven als ff en ik zie je als xje. Zelfs geen blijkt korter te kunnen: g1. Daar is ook msn bij gekomen: chatten (schrijvend praten) via de computer. Bij msn gaat het er niet om dat je heel korte woorden schrijft, maar dat je de taal versiert. Jongeren doen dat fantastisch. Ze zetten bijvoorbeeld midden in een woord een paar hoofdletters, de letter z is erg populair en alle woorden die op – en eindigen, gaan ze met – uh schrijven. Mensen denken misschien dat alleen jongeren dat doen, maar jongeren worden ouder en die nemen die msn-taal als vanzelfsprekend mee.

Ook de overige vormen van jongerentaal verspreiden zich behoorlijk snel. Neem iemand als Nance, die vroeger het tv-programma Lingo presenteerde. Hoewel ze zich geen jongere meer kan noemen, neemt ze heel gemakkelijk het woordje cool in de mond. En onlangs liep ik in Leiden voor het station en hoorde ik een man van een jaar of vijftig afscheid nemen via de mobiele telefoon met: “Ik ga je zien.” Dat betekent ‘tot ziens’ en was tot zeer onlangs iets wat je alleen in jongerentaal hoorde.

Jongerentaal in Van Dale

In oktober 2006 werd de nieuwe grote Van Dale gepresenteerd. Hoeveel jongerentaal staat daarin? Dat is met de bijgeleverde cd-rom heel gemakkelijk na te gaan, als je tenminste de juiste ‘labels’ weet in te tikken. Want sommige jongerenwoorden labelt Van Dale als “jongerentaal”, andere als “jeugdtaal”, nog weer andere als “jongenstaal” of “meisjestaal”, en dan is er ook nog het etiket “sms-taal” en “chattaal”.

In totaal zijn het 115 woorden, echt een ratjetoe van hedendaagse en verouderde woorden, zonder dat overigens bij de meeste verouderde woorden is aangegeven dat ze verouderd zijn. En van sommige opgenomen woorden (zoals pienantie) valt te betwijfelen of ze echt ooit exclusief tot de jongerentaal hebben behoord. Kennelijk laat jongerentaal, per definitie een vluchtig verschijnsel, zich maar moeilijk vastleggen in een woordenboek.

Een greep uit de woorden, geordend naar label, met tussen haakjes steeds het aantal treffers.

Jongerentaal (10)

  • _dakken_*’uit je dak gaan’
  • _dissen_* ‘geen respect tonen voor iemand’
  • kopkluiven, snavelen* ‘tongzoenen’
  • _navelpluis_* ‘sufferd’

Jeugdtaal (93)

computernerd ‘enigszins wereldvreemde computerfreak’ gers ‘geweldig goed’ kakker ‘iemand die in collegestijl gekleed gaat’ kuitenflikker ‘sprong waarbij men in de lucht de voeten tegen elkaar klapt’ neootje ‘een jonge punk van een jaar of twaalf’ pienantie ‘penalty’ sjijk ‘chic’

Jongenstaal (6)

kattenbak ’ verbastering van catechisatie of _catechismus_’ oliepoot ‘een nat been veroorzaakt doordat je net niet ver genoeg over de sloot gesprongen bent’ stinkertje ‘een veter die je hebt aangestoken en die een beetje aan het smeulen is’

Meisjestaal (4)

akeligheid ‘vervelende jongen’ dolletjes ‘zalig’ eng ‘griezelig’ wicht ‘meisje (met ongunstige bijklank)’

Sms-, chattaal (2)

asap ‘as soon as possible’ ff (betekenis volgens Van Dale: “effen”)

Opstellen

Een tijdje geleden werd ik uitgenodigd door TV Gelderland om deel te nemen aan een discussieprogramma over de verhouding tussen jongerentaal en taalverloedering. Bij dat programma zaten ook twee leraressen, die een top-tien meegebracht hadden van woorden die zij steeds meer tegenkomen in het schrijfwerk en de opstellen van leerlingen. Op de eerste plaats stond het woordje ff, en ook nix en w8 kwamen in het lijstje voor.

De leraressen waren bevreesd voor een slechte invloed op de spellingvaardigheid van hun leerlingen. Ik zei: “Waar maak je je druk om? De Nederlandse Taalunie verandert zomaar ineens de spelling van minstens duizend woorden. Als jongeren een handvol woorden op een andere manier gaan schrijven, laat ze dat dan gewoon doen.”

Jongerentaal lijkt me echt geen bedreiging voor het Nederlands. Jongeren kunnen dingen doen die wij niet prettig vinden, maar dat moeten we niet verwarren met een andere manier van omgaan met taal. Mensen zijn misschien bang voor die nieuwe jongerentaal omdat ze die associëren met jongeren die moreel zijn afgegleden, maar laten we die twee dingen goed uit elkaar houden.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 04 juli 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.